Home » Blog

Het verhaal van Jos

Mijn website sprak haar aan. De kleuren pasten goed bij haar aura en ze had mijn foto ‘gelezen’. De geestenwereld had haar verteld dat ze veilig met mij in zee kon gaan. Dat ik ook nog een vrouw was, leverde extra bonuspunten op, want van de vrouwelijke spiritualiteit had ze een hogere pet op dan van de mannelijke.

Als de uitvaartverzorger mij belt, klinkt enig ingehouden scepsis door in zijn stem als hij mij het verhaal uit te doeken doet, maar al snel neemt zijn professionaliteit het weer over. Hij is voor deze echtgenote op zoek naar een ritueelbegeleider. Iemand die de uitvaart van haar echtgenoot wil begeleiden. Nu nog niet, hij is nog niet dood, maar dat zal naar verwachting binnen afzienbare tijd gaan gebeuren. En omdat deze echtgenote zeer uitgesproken ideeën heeft over hoe het bij de uitvaart van haar Jos zal moeten gaan, heeft ze samen met Jos een voorbespreking aangevraagd bij de uitvaartonderneming. Nadat alle keuzes gemaakt zijn, van kist tot koffie, staat er nog één belangrijk punt open: wie gaat de afscheidsdienst begeleiden? In het woud van ritueelbegeleiders, uitvaartsprekers, dominees en pastors ben ik boven komen drijven. Zoals gezegd vanwege de juiste kleuren en de juiste foto - beiden met zorg uitgekozen - en vanwege het juiste geslacht, een krijgertje van mijn ouders.

Dat mijn website vermeldt dat ik vertrouwd ben met de protestantse en oecumenische traditie van het geloof en niets zegt over ervaring met andere spirituele stromingen, is voor haar geen bezwaar. Mijn foto heeft haar immers alles verteld wat ze wilde weten. Een kennismakingsgesprek vooraf met mij is dan ook niet nodig.

Als ik mijn mobiel neerleg, voel ik me enigszins gevleid door het idee dat ik ben goedgekeurd, al weet ik nog niet door wie en ook niet precies voor wat. En dus sluipt ook enige ongerustheid mijn gedachten binnen. Want ben ik wel die spirituele begeleider die ze zoekt? Hoe ver reikt mijn kennis over, maar vooral mijn gevoeligheid voor een afscheid dat in het teken moet staan van, zoals zij dat zei ‘de grote meesters’ in het leven: Jezus, Maria, Boeddha, Aartsengel Michaël en de Opgestegen Meesters? Zoals wel vaker biedt Google enig soelaas, maar naar de precieze wensen blijft het gissen. Ik zal moeten wachten tot Jos overgaat naar de volgende dimensie, wereld of werkelijkheid. Dan hoor ik meer.

Nog geen drie weken later verschijnt het nummer van de uitvaartverzorger weer op mijn mobiel. Jos is overleden en zijn echtgenote wil nu graag een afspraak met mij om de afscheidsdienst te gaan voorbereiden. We spreken af op dinsdag om 13 uur, dan staan de zon en alle hemelse energieën in de juiste stand voor een goed gesprek. En toevallig of niet: dan vertoont mijn agenda precies een lege plek van drie uur.

Het is een frisse dag in februari als ik mijn auto in het smalle straatje parkeer. Voor haar deur is een plek vrij, maar ik rijd liever even iets verder door, zodat ik onopvallend kan uitstappen en een eerste indruk van het huis in me kan opnemen. Het is zo te zien geen buurt waar men graag tuiniert, maar de tuin op huisnummer 18 spant wel de kroon. Het is niets minder dan een oerwoud waar ik voor sta. Met moeite krijg ik het hekje open, de sluiting is vrijwel onvindbaar in de wirwar van groen. Het paadje bestaat uit met mos begroeide stapstenen overwoekerd door struiken en bomen. En overal in het groen zie ik glimpen van beelden; glimlachende stenen boeddha’s met groen uitgeslagen bolle buiken, gevallen engelen van beton en nimfen met kruiken waar geen water maar klimop uitstroomt. Zoekend naar de bel valt mijn oog op een vensterbank vol boeddhabeeldjes, gerangschikt van groot naar klein als waren het matroesjkapoppetjes.

De deur zwaait open en ik kijk in de zwart omrande ogen van de echtgenote. Ik schat haar ergens tussen de 60 en 70. Het grijswitte haar draagt ze in een statige wrong in de nek. Vuurrode lippenstift concurreert met de felgekleurde kralen van haar oorbellen die zachtjes tegen elkaar tikken als ze haar hoofd beweegt. Van onder een rijk geborduurd oranje gewaad versierd met muntjes steekt ze een rinkelende arm uit ter begroeting en zwiert me voor, de gang in.

Zoals in sommige woontijdschriften zo mooi wordt aangeprezen loopt ook hier buiten door in binnen - of andersom. Zowel in de gang als in de kamer staat het vol met planten, met stekjes van planten en met stekjes van stekjes van planten in alle soorten en maten. En tussen al dat groen lopen - als heersers in hun eigen groene koninkrijk - de katten rond. In de woonkamer ontwaar ik een compleet klimbos van krabpalen vol zuilen met mandjes en zachte kattenhuisjes. Ze loodst me door al het groen, druk pratend tegen mij en tegen iemand die ik nog niet heb kunnen traceren. Ook in de keuken hoor ik haar praten. Het zullen de katten zijn, bedenk ik me, die steeds om haar benen draaien. Als ik plaatsneem op de bank, zie ik dat onderin de muur van de woonkamer naar de keuken een gat is uitgehakt, zodat haar prinsesjes een rechtstreekse verbinding hebben met de keuken en via het kattenluik in de deur vervolgens met buiten.

Jos, haar man, is afgelopen zaterdag op 73-jarige leeftijd overleden. Een lang ziekbed, zo vertelt ze, het ging niet meer. Gelukkig is hij thuis gestorven, hier in de woonkamer. Ze wijst naar een plek in het groen. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat hier een bed heeft gestaan, maar zo is het ook niet gegaan. Jos is gestorven in de grote rode fauteuil van zijn vader. De laatste dagen en uren was hij zo benauwd dat liggen toch geen optie meer was.

Het is fijn dat hij nu uit zijn lijden is verlost, zegt ze rustig. 'Toch Jos?' Ze knikt bemoedigend naar de lege stoel naast mij. Ik denk even dat ik het niet goed heb gezien, maar als ik later vraag welke muziek er bij zijn uitvaart moet klinken, gebaart ze met haar hand dat ik stil moet zijn. Ze knikt naast mij en zegt: 'Inderdaad, dat dacht ik al.' En tegen mij: 'Jos zegt dat het muziek van Elvis moet zijn.'

Ik val even stil. 'Zegt Jos dat?' vraag ik voorzichtig. Misschien heb ik het verkeerd begrepen. 'Ja,' ze knikt, 'hij stáat er zelfs op! Daar hebben we vroeger zo vaak op gedanst.' Ze glimlacht wat voor zich uit en werpt een verliefde blik richting het rood. 'Ik begrijp dat u nog steeds contact met Jos heeft?' vraag ik wat aarzelend. 'Ja zeker,' straalt ze, 'gelukkig wel! Ik zou hem nog niet kunnen missen hoor!' Dan betrekt haar gezicht. ‘Al moet ik hem natuurlijk wel gaan loslaten, ook energetisch dan natuurlijk.’ Ik knik waarschijnlijk wat halfslachtig, want ze steekt van wal. Over de gehechtheid aan het leven, iets dat Jos al helemaal had losgelaten, maar waar zij nog wel moeite mee heeft. Hoe Jos haar op het hart had gedrukt hem na zijn dood vrij te laten. Ze moest niet proberen hem hier te houden - hij wist hoe ze in elkaar stak - want dat zou alleen maar negatief karma oproepen. ‘Dus dat ga ik ook niet doen,’ schudt ze, ‘maar nu nog even wel!’ Ze heeft hem nog even nodig en hij denkt daar blijkbaar hetzelfde over, want ze voelt hem nog overal om haar heen.

Het verklaart de opgewekte toon aan de telefoon, de bijna vrolijke ontvangst, de levendigheid waarmee ze herinneringen ophaalt, haar lach die regelmatig door de kamer schalt. 'Natuurlijk had ik hem graag nog in levende lijve bij me gehad hoor,' zegt ze geruststellend tegen mij, blijkbaar ziet ze mijn verbazing aan voor schrik. 'Ik mis het echt verschrikkelijk dat ik hem niet meer kan aanraken.' Ze zucht. 'Maar gelukkig is hij er nog.' En inderdaad blijkt Jos nog behoorlijk aanwezig te zijn, want in het gesprek laat ze regelmatig een stilte vallen, zodat ook Jos zijn zegje kan doen.

Ik weet niet zo goed wat ik ermee aan moet. Het heeft iets moois en troostrijks, maar het lijkt me toch ook niet helemaal normaal. Al hoewel, wat is normaal? En wat weet ik er nu eigenlijk van? Mijn gedachten dwalen af, maar ze roept me bij de les: 'Jij bent hier anders ook niet alleen gekomen,' zegt ze veelbetekenend en knikt schuin achter mij. Ik geloof dat ik het niet wil weten, maar draai toch mijn hoofd opzij en kijk waar zij kijkt.

Ik  zie een enorme groene ficus met wilde uitlopers naar alle kanten. 'Opa?!' schiet het door me heen. Ik zie hem ineens weer voor me, zijn grijze haren verwaaid in de wind, een grote grijns op zijn gezicht. Mijn opa die al meer dan 20 jaar dood is. Kom op, zeg, niet zo raar doen! Toch heb ik de rest van het gesprek het gevoel dat er iemand over mijn schouder meekijkt. Ook de opperkat ligt vanaf de hoogste zuil voortdurend met toegeknepen oogjes in mijn richting te loeren.  

Als ik aan het eind van de middag weer buiten sta en haar gedag zeg, blijft ze afwachtend staan. "Eh, nou ja... dag Jos,' zeg ik ergens tegen de ruimte achter haar. Ze knikt tevreden en sluit al hoofdschuddend de deur. Er wordt ongetwijfeld met Jos nog even nagepraat  over ons gesprek. ‘Ik had haar hoger ingeschat, maar ach, ze deed in elk geval haar best.' Nou ja, zoiets hoop ik dan maar.

Op de dag van de uitvaart zie ik haar weer bij het crematorium. Dat het een crematie zou worden stond vast, dat was helemaal in de lijn van het boeddhisme, zo vertelde ze, geen discussie. Over de locatie heeft ze wel lang nagedacht. Ze had zich vooraf uitgebreid georiënteerd, is kerken, kloosters, tempels en zaaltjes af geweest om te voelen of het de juiste sfeer was om Jos los te laten. Dat ze uiteindelijk heeft gekozen voor de toch wat klinische omgeving van een crematorium had juist te maken met het ontbreken van elke sfeer. Zo kon energie van buitenaf het afscheid niet verstoren en kon ze zelf de juiste balans bepalen. Voorkomen moest worden dat een van de grote meesters zich gepasseerd zou voelen met alle gevolgen voor het zielenheil van Jos van dien.

Omdat haar eigen huisje te klein was om Jos op te baren, heeft ze een 24-uurs kamer gehuurd bij het crematorium. Als we de spulletjes rondom Jos vanuit de opbaarruimte willen gaan verplaatsen naar de aula, waar zo dadelijk het afscheid zal plaatsvinden, zie ik kaarsjes, heel veel plastic kaarsjes. ‘Het mochten geen echte zijn,’ er klinkt spijt in haar stem, ‘maar ach, ik denk maar zo: licht is licht.’ Pragmatisme is haar tweede natuur. Het ruikt in het kamertje vaag naar wierook, volgens mij ook verboden, maar de crematoriummedewerker die ons begeleidt zegt niks.

Naast de kist met Jos is een altaartje ingericht dat ook mee gaat naar de aula. Maria en Boeddha staan gebroederlijk (of gezusterlijk?) naast elkaar op een bedje van zand en rozenblaadjes. Op de kist ligt een kruisje met een corpus. Ze volgt mijn blik. ‘Tja, die opvoeding krijg je er toch niet helemaal uit,’ zegt ze enigszins verontschuldigend.

Het is een klein gezelschap dat zich even later in de aula verzamelt. Familie, naaste vrienden en een paar goede buren vertel ik het levensverhaal van Jos. Deze aardse kant van het afscheid heeft de echtgenote mij toevertrouwd. De spirituele invulling neemt zij zelf voor haar rekening, iets dat ik deze keer met liefde uit handen geef. Als de dienst is afgelopen en alle belangstellenden de aula hebben verlaten, is het laatste moment van afscheid alleen voor haar. De anderen zouden er toch maar niets van begrijpen.

Met grote precisie wordt alles klaargezet voor het laatste afscheidsritueel. De koperen houder met wijwater, de kaarsen - die hier gelukkig wel mogen branden -, een glazen pot met zand, meegenomen van een vakantie in Thailand en een waaier met Aziatisch tekens. Ze kiest zorgvuldig de mooiste roos uit het bloemstuk op de kist, doopt deze in het wijwater en besprenkelt Jos van top tot teen. Dan pakt ze de pot met zand, schept hier steeds een handje vol uit en strooit dit in opperste concentratie in grote cirkels op de kist. De kaarsjes plaatst ze er in een cirkel erom heen. Een voor een steekt ze de kaarsjes aan terwijl ze zachtjes voor mij onverstaanbare teksten uitspreekt. Steeds dezelfde klanken, steeds dezelfde tonen klinken als mantra’s door de aula. Dan wuift ze voorzichtig met de waaier de rook van de kaarsjes in de richting van het hoofdeinde van de kist, vanwaar ze het met haar handen omhoog stuwt, door het plafond heen, de lucht in, voorbij de wolken, tot in de hemel.

De mantra’s gaan over in een gebed waarin ik God, Jezus, Maria en Boeddha voorbij hoor komen. Met haar handen in een zegenend gebaar boven de kist worden de grote spirituele leiders aangeroepen en even bekruipt me het gevoel dat ze hiermee het zekere voor het onzekere neemt. Maar dan schud ik die bijgedachten uit mijn protestantse hoofd. De devotie waarmee ze zich over zijn kist buigt, de aandacht waarmee ze de rituelen uitvoert en de liefde die doorklinkt in ieder woord dat ze spreekt, verjagen al snel elke zweem van cynisme uit de aula.

Stil en verwonderd kijk ik vanaf mijn plek achterin toe hoe een vrouw afscheid neemt van haar man. Hoe ze hem toerust met alles wat ze te bieden heeft. Hoe ze alles van zichzelf geeft om hem te laten overgaan naar die andere wereld. Hoe liefde bij leven transformeert in liefde na de dood. En hoe de stofjes dwarrelen in het zonlicht dat in lange banen door de hoge ramen van de aula valt.

---