Home » Boek » Preview

Preview

Vier verhalen uit het boek

 

Klus

"Ik kan eigenlijk niet veel positiefs over mijn vader vertellen." Ze kijkt naar de tafel, haar handen spelen met de rouwkaart.

We zitten met z'n tweeën in de grote woonkeuken, de dochter en ik. Speelgoed slingert over de vloer, op het aanrecht staan de restjes van het ontbijt. Ze volgt mijn blik. "Het was haasten vanmorgen," zegt ze verontschuldigend, "maar het leek me beter om mijn dochtertje toch naar school te laten gaan. De juf is op de hoogte." Voor een kleine meid van 6 kan het gewone leven voorlopig nog even doorgaan.

Het geeft de dochter in elk geval de rust om te regelen en organiseren, als enigst kind komt de uitvaart van vader op haar schouders neer. En om te vertellen. Als ik vraag wie haar vader was, valt ze gelijk met de deur in huis. Er vallen woorden als streng, gevoelsarm, kort lontje en liefdeloos.

"Ik weet nog goed dat mijn dochtertje voor haar verjaardag een poppenhuis van hem kreeg dat hij zelf gemaakt had en dat ze toen per ongeluk een deurtje afbrak. Hij sprong uit zijn vel en de lol was er gelijk alweer vanaf!" Mijn aandacht wordt getrokken door het woordje 'zelfgemaakt'. Ik vraag het na en inderdaad: hij had het zelf voor zijn kleindochter getimmerd. Het was zeker een meter hoog, met luikjes, deurtjes en zelfs kleine houten meubeltjes erin.

Ik zie hem staan, gebogen over zijn werkbank. Passen en meten, schuren en schaven. Zijn gereedschap gerangschikt, de kwasten van groot naar klein. De grote voor het dak en de wanden, de penseeltjes voor de stoeltjes en de tafeltjes. Nog een heel gepriegel met die grote handen van hem. Gemaakt in de kleine uurtjes als hij 's avonds uit zijn werk kwam.

"Of die keer dat hij ons hielp met de verbouwing van ons huis. Hij leek wel de opzichter. Alles moest op zijn manier!" Haar boosheid is voelbaar. Hun hele huis was onder handen genomen. Maanden had het gekost om het allemaal zelf te doen. Alle avonden, weekenden en vakanties was hij bij hen te vinden geweest.

Ik zie hem in de auto stappen, op weg naar zijn dochter, moe na een hele dag werken. Op zaterdag en vaak ook op zondag ging de wekker om 7.00 uur. Het viel hem zwaar, maar hij wilde de klus geklaard hebben.

"Hij was er nooit voor ons, hij was alleen maar aan het werk," zo besluit de dochter haar verhaal.

Ik zie hem naar zijn dochter kijken. Hij weet dat ze meer van hem verlangt. Hij ziet het in haar ogen, hij hoort het in haar stem. En dus zaagt hij de planken, schildert de muren en boort en schaaft en schuurt.

De dochter neemt een slok van haar koud geworden koffie. "Sorry hoor, voor deze klaagzang," zucht ze, "maar meer kan ik er niet van maken."

 

---

 

Sterretje

Als ik de rouwkaart open, valt het me gelijk op. Ik lees de naam van de overleden vader met daaronder de namen van de achterblijvers: zijn vrouw en hun twee kinderen. En achter de meisjesnaam staat een sterretje.

Ik spreek met de echtgenote over de afscheidsdienst en het verlies van haar man. Maar het kan niet anders of ook het verdriet om hun dochter neemt in ons gesprek een belangrijke plek in. Het verdriet dat in elke herinnering doorklinkt: Dat was nog vóór haar overlijden, dat was erna... Toen waren we nog met z'n vieren, toen nog maar met drie... Toen waren we nog gelukkig samen en daarna... ach, daarna...

Het gesprek beweegt zich heen en weer tussen het gemis van haar man en het missen van haar kind. En ergens in dat gesprek komt de vraag die ik verwacht, maar het liefst zou ontwijken.

"Heb jij zelf ook kinderen?" Ze kijkt me strak aan.
Ik weet dat mijn antwoord haar troost geeft. Ook ík ben een moeder die weet wat het is om een kind lief te hebben. En tegelijk is het een antwoord dat een onoverbrugbare afstand schept.
"Hoeveel kinderen heb je?"
"Drie," antwoord ik en ik krijg er een kleur van. Ze merkt het niet.

Het laat me niet los. Niet als ik naar huis rijd, niet in de weken na de uitvaart. Het besef dat mijn rijkdom ook mijn kwetsbaarheid is. Ik probeer me voor te stellen hoe het zou zijn, een kind verliezen, maar dat maakt me alleen maar verdrietig. Dan probeer ik maar uit alle macht éxtra van ze te genieten. En bedenk me dat al die dingen waaraan ik me stoor zo onbelangrijk zijn. Want wat maakt het uit dat hun kamer een puinhoop is? Dat elk gesprek op een discussie uitloopt? Dat ze druk zijn met van alles, behalve met school? Ik moet niet zuchten en boos worden, maar relativeren en genieten.

Ik houd het nog geen week vol. Dan hoor ik mezelf weer mopperen en zeuren. En tóch is er iets veranderd. Ik laat ze niet meer weggaan zonder een zoen en zeg net even wat vaker dat ik van ze hou. En dat ik wil dat ze NU hun kamer opruimen!

 

---

 

Gebroken

Het was de alcohol die zijn leven regeerde, de alcohol die zijn stemming bepaalde. Niemand weet waarom hij koos voor een vlucht in de drank, welke pijn hierachter schuil ging. Wat iedereen wel weet, is dat hij niet de man en vader kon zijn die zijn gezin nodig had. Omdat de drank alles kapot had gemaakt, ook de mensen die hij liefhad.

Met gemengde gevoelens zitten ze in de aula, zijn vrouw en kinderen. Rust en opluchting dat hij niet meer hun leven kan bepalen, nauwelijks ingehouden woede om wat hij hen heeft aangedaan en daarachter het verdriet om alles wat er had kunnen zijn, maar er nooit is geweest.

De zoon is op het uiterste puntje van de voorste bank gaan zitten, zo ver mogelijk bij de kist met zijn vader vandaan. Hij draagt een oude spijkerbroek, een zwart T-shirt en afgetrapte gympen. No way dat hij nog moeite gaat doen voor zijn vader. Zijn zus en moeder hebben zich, vanuit een vage gedachte van fatsoen, wel in het net gestoken, al is het dan voor deze man. Ze zitten ver uit elkaar, alsof ze verwachten dat er nog mensen tussen komen zitten. Eilandjes van verdriet.

Ik vertel het eerlijke verhaal, de pijnlijke waarheid. En toch wil ik daar nog iets aan toevoegen. Want ook híj mocht er zijn als mens, ondanks zijn tekortkomingen en beperkingen. Ik weet dat ik makkelijk praten heb. Ik heb niet geleden onder zijn grillen, ik ken de angst niet waarin zij hebben geleefd, de wanhoop die ze gevoeld moeten hebben. En toch...

Het was een moeizame zoektocht naar mooie herinneringen, maar ooit, lang geleden, was hij een jonge man en zij een jong meisje en stonden ze samen aan het begin van hun leven. Maakten ze plannen en zagen ze een toekomst voor zich. En ook dat verhaal mag vandaag klinken. Niet alleen om hém recht te doen, maar ook om háar recht te doen. Want hoe vaak was het haar niet gezegd, voor de voeten geworpen: "Waarom laat je dit allemaal gebeuren!? Ga toch bij hem weg!" Door de jaren heen hebben veel mensen haar laten vallen, soms veroordelend, soms machteloos. Een eenzaam leven.

En dus vertel ik vandaag bij zijn afscheid ook over die rustige jongeman met zijn mooie lange haren op die barkruk in een discotheek. De jongen met de lieve, zachte ogen die niet kon dansen, maar haar die avond wel met zijn brommer naar huis bracht. Met wie ze nachtenlang kon praten en in wiens sterke armen ze zich veilig voelde.

De dochter frummelt aan haar zakdoek. De zoon zakt zo mogelijk nog verder onderuit en kijkt nukkig naar de kale neuzen van zijn gympen. Maar als ik de blik vang van de echtgenote, zie ik haar ogen even oplichten en dwars door de pijn heen vang ik een glimp op van de liefde die er ooit was en die nooit helemaal is verdwenen.

 

---

 

Stoer

Grote stoere mannen zijn het, de drie zoons. Hun aanwezigheid vult de kleine woonkamer. Kort geknipte koppen, brede schouders, tatoeages op de gespierde armen, ruwe handen. Dertigers zijn het en ze werken allemaal in de bouw als stukadoor, timmerman of metselaar. Voor hen op tafel ligt de rouwkaart van 'ons ma'.

Uit hun verhalen begrijp ik dat 'ons ma' vroeger aardig wat te stellen had met haar jongens. De politie stond nog wel eens aan de deur, af en toe logeerde er één een nachtje in de cel - "Ik had niks gedaan, maar kreeg altijd de schuld!" - en de buurt klaagde vaak over gerotzooi met vuurwerk en opgevoerde brommers. "We waren zeker geen lieverdjes," grijnst één van de zoons, "maar we zijn nooit écht de verkeerde kant opgegaan. Dat konden we ons ma niet aandoen."

Er wordt veel gelachen en geouwehoerd, waarbij ze elkaar bepaald niet sparen. Maar mij spreken ze consequent met 'u' aan. "Ja, ons ma heb ons netjes opgevoed!" Als ik vraag of ze tijdens het afscheid zelf nog iets willen zeggen, valt het ineens stil. Ze kijken naar elkaar of naar de grond en dan naar mij.

"Misschien kan ik..." begint de jongste aarzelend.
"Jij ken je bek beter dicht houden," snoert zijn oudere broer hem onmiddellijk de mond, "daar komt helemaal niks zinnigs uit!"
"Om jou heb ze anders heel wat tranen gelaten," kaatst de jongste terug, "Wanneer ben jij eigenlijk voor het laatst bij ma geweest?"
"We zouden José kunnen vragen," springt de middelste ertussen. Zijn vrouw heeft immers ook een gedichtje voorgelezen bij de uitvaart van haar eigen moeder.
"Laat die nou maar lekker mooi lopen wezen op die hoge hakken van d'r," bromt zijn oudere broer goedmoedig. "Straks breekt ze d'r poten nog bij het afstapje." Het komt hem op een stevige stomp te staan.

Dus ja, ze hebben dan wel allemaal een grote bek, maar nee, spreken gaan ze écht niet doen. "Dat lijkt me voor iedereen beter!" Luid gelach. "José, doe ons nog maar effe een bak koffie!"

Op de dag van het afscheid is het opvallend stil in de familiekamer. De dames zitten zacht te praten, van de mannen geen spoor. Ik vind ze buiten onder de luifel. Stil staan ze hun shagje te roken, stil lopen ze even later naar de aula, stil zitten ze tijdens het afscheid voorin. Ellebogen op de knieën, de hoofden gebogen, af en toe met een snelle beweging de tranen wegvegend.

Als alle belangstellenden afscheid hebben genomen, blijven ze als laatste bij moeder in de aula achter. Ze staan wat ongemakkelijk rondom de kist en kijken onzeker naar mij. Als ik knik, leggen ze snel een roos op de kist en haasten zich de aula uit.

In de korte wandeling van de aula naar de koffiekamer wordt het volume langzaam weer opgeschroefd. Een paar stappen is genoeg om de bravoure terug te brengen. Ze zwaaien de klapdeuren open en stappen met z'n drieën tegelijk de koffiekamer binnen. "Zo," klinkt het luid, "doe ons nu eerst maar een stevige borrel!"